Atjehoorlog

De Atjehoorlog was een koloniale oorlog die het Koninkrijk der Nederlanden voerde met het aanvankelijk doel om de zeevaart door Straat Malakka te beveiligen tegen de Atjehse zeerovers. Geleidelijk werd het streven echter om het tot dan toe onafhankelijke Atjeh toe te voegen aan Nederlands-Indië.

Het begin van de oorlog in de context van de negentiende eeuw

De negentiende eeuw kenmerkte zich onder meer door het opkomend kapitalisme, de industrialisatie en het kolonialisme. Bovenstaande ontwikkelingen leidden tot een grotere activiteit van de Nederlanders ‘overzee’. Nederland heeft diverse koloniale oorlogen uitgevochten, vooral in Nederlands-Indië, een van de meest langdurige in Atjeh op het eiland Sumatra.

De Nederlandse ‘bezittingen’ in den vreemde, geërfd van de failliete VOC en de WIC, tijdens de periode-Napoleon veelal beheerd door het Verenigd Koninkrijk, werden na de val van Napoleon en de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden grotendeels aan Nederland teruggegeven, met uitzondering van Zuid-Afrika en Ceylon.

Ook Indië kwam dus weer onder Nederlandse controle. De koloniale politiek werd nu ook geen privézaak meer zoals ten tijde van de VOC en de WIC, maar een staatsaangelegenheid, een ontwikkeling die men ook in andere West-Europese landen kon zien. In de loop van de negentiende eeuw werden Afrika en het Verre Oosten langzaam, maar zeker verdeeld onder de koloniale machten. Nederland van zijn kant vestigde zijn gezag steeds steviger in Nederlands-Indië. Het koloniale beleid werd er nu ook op gericht dat kolonies winstgevend moesten zijn. Het directe gevolg hiervan was het cultuurstelsel. Er speelden in de koloniën dus grote financiële belangen.

Daarnaast zag men de ontwikkeling dat de verspreide ‘bezittingen’ gegroepeerd werden en onder centrale controle werden gebracht. Atjeh, een onafhankelijk sultanaat op de Noordwestelijke punt van Sumatra, was een van de laatste witte vlekken op de koloniale kaart.

De eerste expeditie

In 1871 werd tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland een nieuw Sumatraverdrag gesloten, dat Nederland de vrije hand gaf in Atjeh. Afgezien van het prestige was Atjeh rijk aan landbouwgrond, waar pepers werden verbouwd, en mogelijkerwijs heeft de aanwezigheid van aardolie ook de nodige aandacht getrokken. Doordat Atjeh daarnaast de Straat Malakka beheerste en doordat de rol daarvan door de opening van het Suezkanaal steeds belangrijker was geworden, was er ook een strategische reden om zich met Atjeh te bemoeien: de Atjehers maakten zich veelvuldig schuldig aan zeeroof.

Bij het besluit om Atjeh gewapenderhand aan het Nederlandse gezag te onderwerpen, speelde de rivaliteit tussen de westerse mogendheden bij het verwerven van koloniaal bezit een doorslaggevende rol. In de tweede helft van de negentiende eeuw bereikte de drang tot koloniale expansie alom een hoogtepunt. Door het initiatief te nemen tot een militaire interventie wilde Nederland de andere kapers op de kust een slag voor zijn.

Met weinig kennis van lokale zaken werd in 1873 een militaire expeditie opgezet om Atjeh tot een traktaat te bewegen door middel van een blokkade van zijn kust en strategische onderhandelingen (door regeringscommissaris F.N. Nieuwenhuijzen). Men hoopte dat de aanwezigheid van enige oorlogsschepen op de rede van Atjeh voldoende was om iedere weerstand te breken, waarna met de aanwezige infanterie het land kon worden bezet. Het aantal schepen (vier) was echter te klein om de gehele noordkust van Sumatra effectief te kunnen blokkeren.

Op 26 maart 1873 stuurde Nieuwenhuijzen, mede namens gouverneur-generaal J. Loudon, een oorlogsmanifest gericht aan de sultan van Atjeh, van wie men vermoedde dat hij de macht in het land had. Op het Nederlandse ultimatum kwam niet de gewenste reactie. In maart 1873 werd een strafexpeditie onder generaal-majoor J.H. Köhler uitgestuurd met als doel de tuchtiging van Atjeh om daarna een traktaat te kunnen sluiten. De expeditie werd versneld naar Atjeh gestuurd omdat er geruchten gingen dat de sultan van Atjeh in onderhandeling was, mogelijk met Italië en de Verenigde Staten, om zijn neutraliteit te behouden.

Deze eerste Nederlandse inval (zie verder: Eerste Atjehoorlog) liep uit op een vervroegde terugkeer der troepen. De Atjeeërs weerden zich te sterk. Köhler zelf werd bij de (later zo genoemde) ‘Köhler-boom’ dodelijk getroffen door een kogel. Hierop keerde de expeditie voortijdig terug naar Batavia, waarop een enquête volgde naar de reden van de mislukking. Volgens de inmiddels gepensioneerde voormalige opperbevelhebber van het KNIL luitenant generaal J. van Swieten was dat de gebrekkige leiding van de expeditie, volgens anderen, waaronder kapitein der artillerie G. Borel, lag de oorzaak in de onbekendheid van de expeditie met de volhardendheid der Atjehers en in de onbekendheid met het terrein.

De tweede expeditie

De tweede Atjehexpeditie was het vervolg op de mislukte eerste Atjehexpeditie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar Atjeh. De expeditie duurde formeel van 20 november 1873 (embarkering van generaal Jan van Swieten en zijn troepen naar Atjeh) tot 26 april 1874 (debarkering van de generaal naar Java met de hoofdmacht).Oorspronkelijk was door gouverneur-generaal James Loudon (onder invloed van zijn adjudant J.I. de Rochemont) bepaald dat Gustave Verspijck het opperbevel zou voeren maar hij veranderde van mening en meende er juist aan te doen de dan reeds lang gepensioneerde generaal Jan van Swieten aan te stellen in de functie van opperbevelhebber en regeringscommissaris. Een van diens eerste daden was de troepenmacht met een derde te verminderen, en van het restant nog eens een derde (de zogenaamde Padangse brigade) te Padang achter te laten als reserve. Ook het aantal transportschepen werd beperkt, waardoor de cholera tot volle bloei kon komen tijdens de overtocht, gedurende welke de soldaten opeengepakt zaten. In zijn eerste dagorder van 21 november 1873 bedreigde van Swieten zijn eigen manschappen met de dood als zij kampongs zouden verbranden.

Uiteindelijk door cholera en gebrek aan drinkwater gedwongen vond op 9 december de landing plaats. Oorspronkelijk was het plan van generaal Verspijck om met een tweede colonne aan de westkust van Sumatra eveneens te landen en dan van 2 kanten de Kraton te naderen. Van Swieten wees dit plan af, trok op een zeer trage wijze naar Penajung, bleef hier dagen dralen om uiteindelijk op 6 januari de Mesigit van voren, zonder voorafgaande verkenningen aan te vallen en uiteindelijk met veel verlies aan manschappen te nemen (met name onder het derde bataljon infanterie onder leiding van commandant en majoor F.P. Cavaljé vielen veel doden en gewonden). Er was door de Atjeeërs een enveloppe voor de Mesigit aangelegd, waarvan generaal van Swieten, door het gebrek aan verkenningen, onwetend was. Daarnaast achtte hij het nodig zijn 8 informanten (die het terrein kenden) uit kostenoverwegingen heen te zenden

Wederom volgde nu een periode van passiviteit, zonder verkenningen, en pas op 24 januari werd de Kraton (weer frontaal) aangevallen, zodat de vijand alle tijd had om bijtijds weg te komen. Van Swieten achtte nu de oorlog beëindigd en schreef dit in proclamaties aan het “verslagen” Atjeese volk. George Frederik Willem Borel schreef hier terecht over dat een oorlog pas ten einde is als BEIDE partijen het daarover eens zijn. En dat waren de Atjeeërs beslist niet. Er volgden nog enkele gevechten op de 29ste januari, een aanval op het bivak te Penajung op 12 februari en daarnaast nog het echec Romswinckel op 16 april (een nederlaag tegen de Atjeeërs die een versterking pal onder de wallen van de Kraton hadden kunnen opwerpen omdat er geen patrouilles plaats hadden). De manschappen waren verplicht de proclamaties van Van Swieten verder te verspreiden onder de “verslagen” Atjeeërs. De toon daarvan was bevoogdend en aanmatigend.

De opperbevelhebber zelf hield zich intussen onledig met het ontvangen van (waarschijnlijk) spionnen en Atjeeërs passanten, aan wiens oordeel hij meer waarde hechtte dan aan het oordeel van zijn eigen manschappen (getuige het: “hij, de onbekwame, subalterne kapitein Borel” over kapitein George Frederik Willem Borel, of “Hij, de vechtmajoor” over Majoor J.H. Romswinckel, of “Hij is avontuurlijk en mist besef van de hogere krijgskunde” over generaal Gustave Verspijck. 1879. J. van Swieten. De waarheid enz.). Aan Gigien betaalde hij 24.000 guldens, zodat daar de Nederlandse vlag gehesen werd. Dit zogenaamde “kopen van de vlag” bracht onder menigeen een gevoel van wrevel teweeg omdat het niet strookte met de Nederlandse waardigheid. Maar Van Swieten meende dat onderworpenheid beter door kopen dan door vechten bereikt kon worden en zag er niets onwaardigs in.

Op 26 april (dus een week na het echec Romswinckel) vertrok generaal van Swieten met de hoofdmacht naar Batavia om “de palm der overwinning” te vieren. De manschappen van zijn leger, die in Atjeh moesten achterblijven, moesten de tijd zien te doden (er mochten geen offensieve acties plaatsvinden, volgens de door Van Swieten nagelaten order en daar waren nu dan ook geen manschappen genoeg meer voor) in een desolate, onveilige stelling, waar cholera en vijanden vrij spel hadden en waar na een overstroming de lichamen van hun begraven metgezellen weer boven de aarde kwamen, waardoor er wekenlang een lijkenlucht hing. Daarnaast moesten ze lijdelijk toezien hoe nabij het verlaten bivak Penajung andere gestorven kameraden door de Atjeeërs werden opgegraven en verminkt. Generaal Johannes Ludovicius Jakobus Hubertus Pel zou aan deze niet zo fraaie erfenis nog een zware dobber hebben. Ook in latere jaren bleef generaal van Swieten zich intensief met de politiek in Atjeh bezig houden, hetgeen later de machinaties tot gevolg zou hebben die tot het aftreden van generaal Karel van der Heijden en het desastreuze optreden van de civiel commissaris A. Pruijs van der Hoeven zouden leiden.

Koning Willem III stichtte op 12 mei 1874 een Atjeh-medaille 1873-1874. De medaille werd niet alleen voor de Eerste Atjehoorlog maar ook voor aanwezigheid in Atjeh gedurende de eerste zes maanden van de Tweede Atjehoorlog verleend. Bijzonder is dat de dragers van deze Atjeh-medaille ook een gesp met de opschrift “ATJEH 1873-1874” op het lint van het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven mochten dragen. Er werden ook kruisen van de Militaire Willems-Orde en Medailles voor Moed en Trouw uitgereikt aan hen die buitengewone moed, beleid en trouw hadden getoond.

Uitwerking van de tweede expeditie

Na de tweede expeditie volgde een periode (tot 1879) waarin men voornamelijk een “vredelievende” politiek volgens de inzichten van generaal Van Swieten bleef volgen. De Atjehers bleven echter zeer vijandig gestemd, er waren legio overvallen en het land was buitengewoon onveilig voor zowel soldaten als reizigers. Pas toen generaal Van der Heijden een offensieve strategie ging toepassen, gingen veel Atjehse groepen tot onderwerping over.

De periode Pruijs van der Hoeven

Op 13 oktober 1880 werd de oorlog opnieuw als beëindigd verklaard en werd besloten tot invoering van het zogenaamde concentratiestelsel onder leiding van de burgerlijk bestuurder gouverneur Pruijs van der Hoeven. Het koloniale leger verschool zich in zestien forten (‘bentengs’) die onderling waren verbonden door een stoomtramlijn. Dit stelsel werd tot 1893 gebruikt. De tramweg is altijd een geliefd doelwit gebleven van de Atjehse strijders. Onder het bewind van Pruijs van der Hoeven liepen de zaken wederom uit de hand. Hij wilde de militaire invloed tot een minimum terugdringen, stelde politieagenten aan om de vrede te bewaren en zocht toenadering met de bevolking, die daar niet op gesteld was. Het aantal overvallen en moordpartijen op Europeanen nam weer toe. Tenslotte werd de gouverneur gedwongen af te treden.

De Nisero-kwestie

n 1883 begon de openlijke oorlog opnieuw, nadat het Britse schip Nisero strandde op Atjeh, in een gebied buiten de Nederlandse controlezônes. Een lokale leider gijzelde de bemanning, en vroeg aan zowel de Britse als de Nederlandse regering om losgeld. Nederland moest toegeven dat Atjeh nog niet onder controle was, tamelijk vernederend, waarop een gezamenlijke Brits/Nederlandse expeditie werd georganiseerd. Een rivaliserende lokale leider, Teukoe Oemar, werd om steun gevraagd, maar deze weigerde. Uiteindelijk beval de Sultan van Atjeh vrijlating van de gegijzelden, waarvoor hij veel geld van de Britten ontving, dat hij meteen voor zijn leger gebruikte.

Geconfronteerd met een goed bewapende Atjehse oppositie moest Nederland wel weer openlijk de strijd aangaan, hoewel het volgens de officiële lijn slechts om politionele acties ging, en niet om militaire. Atjeh was immers formeel al geannexeerd. Teukoe Oemar en andere lokale leiders werden omgekocht met opium en geld, en ze ontvingen wapens in ruil voor toezegging van steun aan Nederland. Oemar verkreeg de titel panglima prang besar (opperste strijdheer van de regering) van Batavia, en nam een Nederlandse naam aan: hij noemde zichzelf nu Teuku Djohan Pahlawan (Johan de dappere). Op 1 januari 1894 verkreeg Oemar officieel toestemming een leger op te zetten. Twee jaar later echter viel Oemar de Nederlanders aan, nadat hij zich weer aan de Atjehse zijde had geschaard. Dit werd in Nederland bekend als Het Verraad van Teukoe Oemar, waarbij erg veel Nederlandse militairen omkwamen in een waar bloedbad.

Generaal Van Heutsz

De periode daarna werd gedomineerd door luitenant-generaal Van Heutsz en de onderzoeker Christiaan Snouck Hurgronje die een diepgravende studie gemaakt had van Atjeh en zijn bevolking. Snouck Hurgronje was een arabist die groot aanzien genoot in Atjeh, mede door het feit dat hij moslim was (althans daar gaf hij zich voor uit) en een pelgrimstocht naar Mekka had gemaakt, wat zijn aanzien verder vergrootte.

Snoucks rol is tot op de dag van vandaag onduidelijk, maar gelet op het feit dat een deel van zijn onderzoek gedurende lange tijd staatsgeheim was, mag men toch wel aannemen dat Snouck Hurgronje een uiterst effectief spion was. Snouck Hurgronje kwam tot de conclusie dat er drie soorten machthebbers waren in de Atjehse maatschappij: de sultans, de landheren (oeleëebalang) en de religieuze leiders (oelamas).

Snouk Hurgronje adviseerde om grof geweld te gebruiken tegen de oelamas. De macht van de sultan stelde volgens hem eigenlijk niets voor en de landadel (zoals Teukoe Oemar) diende door middel van omkoping of chantage tot bondgenoot van de Nederlandse machthebbers gemaakt te worden. Snouck Hurgronje zag echter over het hoofd dat het nationalisme inmiddels vaste voet in Atjeh had gekregen en dat de verdeel-en-heerspolitiek op den duur niet meer zou werken.

In militaire en politieke kringen begon er al een polemiek te ontstaan hoe nu verder te gaan met Atjeh. Een van de schrijvers was kapitein Van Heutsz, die gesteund door Snouck de harde lijn voorstond. Politiek kreeg Van Heutsz steeds meer bijval met als gevolg dat hij de militaire leiding kreeg in Atjeh.

Van Heutsz ontwikkelde de zogenaamde marechaussee-tactiek verder; oorlogsvoering met kleine goed bewapende mobiele eenheden van voornamelijk Mendanonese en later Ambonese en Javaanse soldaten onder leiding van Europese officieren. Hierbij zij aangetekend dat dit idee afkomstig was van een Atjeher.

De terreur die werd uitgeoefend waarbij dorpen werden uitgemoord, werd in sommige gevallen vastgelegd op foto. De overste Van Daalen paste de door Van Heutz ontwikkelde geweldstactiek strikt toe: hij vernietigde meerdere dorpen, met zeker 2.900 Atjehse doden als gevolg (waaronder 1.150 vrouwen en kinderen). Van Daalen verloor slechts 26 man. Hierbij zij aangetekend dat de politiek geenszins onomstreden was. Nadat nieuws over de grote hoeveelheden slachtoffers ten gevolge van de door Van Daalen gevolgde strategie bekend werden in Nederland werden er publiekelijk vragen gesteld. Om dit te sussen werd Van Daalen ontslagen, maar hij werd niet aangeklaagd. Hij had overigens wel zelf toestemming voor eerder genoemde foto’s gegeven.

In 1903 verklaarde Van Heutsz, die in 1898 gouverneur van Atjeh was geworden, dat de oorlog was gewonnen. Aanleiding was de plechtige overgave van sultan Mohammed Daoed aan Van Heutsz, met op de achtergrond een bijna levensgroot staatsieportret van Koningin Wilhelmina. Maar de militaire acties tegen de Atjehse strijders gingen daarna nog jaren door en de bevolking werd hierbij niet gespaard, zoals in 1904 tijdens de campagne onder overste Van Daalen (zie Atjeh-oorlog: tocht van G.C.E. van Daalen (1904)).

In de daaropvolgende jaren werden de resterende guerrillabenden één voor één uitgeschakeld, de laatste in 1914. Daarmee leek het verzet gebroken en dat jaar werd daarom wel beschouwd als het feitelijke einde van de Atjeh-oorlog. Maar helemaal rustig werd het nooit in Atjeh. Van tijd tot tijd flakkerde het vuur van het verzet weer op. Europeanen waren het doelwit van moordaanslagen en in de jaren ’20 en ’30 kwam het tot lokale opstanden van flinke omvang. Toen in 1942 de Japanse landing voor de deur stond kwamen de Atjehers in opstand en werden de Nederlanders -deze keer voorgoed- uit Atjeh verdreven. De Atjehers stellen dat zij zich nooit hebben overgegeven en houden het einde van hun oorlog met Nederland op 1942.

In totaal vielen in Atjeh naar een schatting van onderzoeker Paul van ‘t Veer, meer dan 100.000 doden en een half miljoen gewonden. Aan Nederlandse kant sneuvelden circa 2.000 Europese en inheemse militairen en bezweken er nog eens ruim 10.000 aan ziekten als cholera, buiktyfus en beri-beri. Van de inheemse dwangarbeiders in Nederlandse dienst kwamen er naar schatting 25.000 om. Het aantal doden onder de Atjehers bedroeg 60 à 70.000, inclusief vrouwen en kinderen. Hierbij zij aangetekend dat Atjeh slechts een half miljoen inwoners telde. Het land zelf werd verwoest, van de landbouw was weinig overgebleven. Het heeft jaren geduurd voordat de oorlogsschade was hersteld.

referenties:

1874. Onder redactie van George Kepper, Kapitein der Genie. De Oorlog tusschen Nederland en Atchin. Rotterdam. Nijgh & Van Ditmar.

1886. Mr. S.C.H. Nederburgh (Oud lid van den Raad van Nederlandsch-Indie). Proeve van een Onderzoek der Middelen tot Oplossing van het Atjeh-vraagstuk. Den Haag. Martinus Nijhoff.

1889. J.P. Schoemaker (eerste luitenant der Infanterie bij het N.I. leger). Schetsen van de Atjeh-Oorlog. Den Haag. W.P. van Stockum & Zoon.

Het standaardwerk over de Atjeh-oorlog is De Atjeh-oorlog van de Nederlandse journalist Paul van ‘t Veer. (Amsterdam, Uitgeverij De Arbeiderspers, 1969).

Van meer officiële aard is De Atjeh-oorlog van E.S. de Klerck (Martinus Nijhoff, ‘s-Gravenhage, 1912).

Een goed overzicht van de internationale verhoudingen van voor de oorlog en het diplomatieke overleg tussen Nederland en Engeland is te vinden in Anthony Reid, The conquest for North-Sumatra, (Oxford University Press, Londen, 1969).

Over de Atjeh-oorlog in het collectieve geheugen van Nederland, zie Liesbeth Dolk (red.), Atjeh: de verbeelding van een koloniale oorlog (Amsterdam, Bert Bakker, 2001)

NCRV-televisieserie In naam der koningin speelt zich af op Atjeh in 1898 en is gebaseerd op het standaardwerk van Paul van ‘t Veer en op het boek De Hongertocht van Madelon Szekely-Lulofs (1936). Die televisieserie vormde ook de aanleiding tot het publiceren van het boek Atjeh, Atjeh van Jelte Rep (uitgeverij de Prom, 1996), waarin nakomelingen van Atjehse strijders aan het woord komen.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Atjehoorlog

SILAKAN BERI KOMENTAR

Temui Kami di Facebook

Statistik

  • 32Dibaca Hari Ini:
  • 1861Dibaca Kemarin:
  • 28156Dibaca Per Bulan:
  • 360187Total Pengunjung:
  • 32Pengunjung Hari ini:
  • 26624Kunjungan Per Bulan:
  • 1Pengunjung Online: