EEN STAATSRECHTELIJK VRAAGSTUK.

DR. B. DE GAAY FORTMAN.

De Koloniale Raad zal de begrooting voor 1922 niet afhandelen, naar wordt meegedeeld in het op de desbetreffende ontwerp-verordening. Men kent de kwestie. Art. 101 van het Regeeringsregle- ment voor Curacao eischt, dat uiterlijk op den eersten Dinsdag van Maart de Gouverneur de door hem ontwor- pen koloniale huishoudelijke begrooting aan den Kolo- nialen Raad aanbiedt, en uit eene andere, straks te ver- melden, bepaling volgt implicite, dat de Raad de be- grooting vóór den tweeden Dinsdag van Mei daaraan- volgend moet hebben vastgesteld. Reeds verleden jaar was het 6 April geworden vóór de begrooting was inge- diend. De Gouverneur heeft toen aan den Raad meege- deeld, dat het reeds meermalen moeilijk was geweest, aan dit art. 101 te voldoen, en dat dit jaar verschillende omstandigheden er toe meegewerkt hadden, dat de be- grooting den Raad niet tijdig bereikt had. In overeen- stemming met een door den Kolonialen Raad geopperde gedachte heeft de Gouverneur toen aan den Minister van Koloniën voorgesteld het Regeeringsreglement te wijzigen en daarbij de indiening der begrooting te bepalen op den eersten Dinsdag van April en de vaststelling vóór den laatsten Dinsdag van Mei. De Minister zou zich daartoe bereid verklaard hebben. Evenwel is van die wijziging niets gekomen, hoewel „reeds meerdere malen aan Z. E. den Minister van Koloniën is uiteengezet, (dat) de ter- mijn voor indiening der begrooting beslist te kort” is, gelijk de Gouverneur meedeelt in zijn Mewon’tf der begrooting voor 1922, welke laatste echter eerst 14 April van h e t loopende jaar werd ingediend. Het is niet heel duidelijk, waarom eene zoo weinig omvattende wijziging van het Regeeringsregle- ment niet even aangebracht is kunnen worden, te minder nu de verlenging van den termijn voor indiening der be- grootingdoor het koloniaal Bestuur zoo noodzakelijk wordt geacht, dat de Gouverneur voor de toekomst niet verder durft te gaan, dan tot het geven der verzekering, „dat alles in het werk zal worden gesteld ten einde in den ver- volge de indiening zoo vroeg mogelijk, zij het ook na den fatalen termijn, te doen geschieden.”

In 1920 is de Raad door snel te werken met de begroo- ting nog tijdig gereed gekomen, maar dit jaar is de zaak anders geloopen. Nadat de Koloniale Raad in zijn Foor- zich er rekenschap van gegeven heeft, dat de late indiening der begrooting voor wat betreft hare vaststelling door de wet „geen practische gevolgen met zich brengt” nu het geval van art. 104, 1° R.r. (bijdrage van het moederland tot aanvulling der Koloniale midde- len) zich voordoet, wordt in het £mdwrs/ag meegedeeld, dat bij de behandeling der Mewon’g va op het Foor/oo/ug um/ag de principieele vraag gerezen is „of de Koloniale huishoudelijke begrooting na den tweeden Dinsdag der maand Mei nog door den Raad mocht of moest vastgesteld worden.” Deze vraag werd door de meerderheid ontkennend beantwoord op de volgende gronden:

„Alhoewel artikel 104 van het Regeeringsreglement, bepalende, dat in de drie daarin genoemde gevallen (nl. 1°. als er een bijdrage uit ‘s Rijles schatkist noodig is; 2°. als de Koning de begrooting, zooals zij door den Kolonialen Raad aangenomen is, niet goedkeurt en 3*. indien de Raad de begrooting niet vóór den 2den Dinsdag der maand Mei vastgesteld heeft) de Cura9aosche begrooting definitief door de wet wordt vastgesteld, al deze gevallen over één kam scheert, maakt het daarop volgend artikel een onderscheid door voor te schrij- ven, dat in het geval voorzien in art. 104 onder 3°., in tegenstelling met de beide andere, voorloopig de begrooting van het vorig dienst- jaar tot grondslag van den dienst strekt, behoudens de daarin door den Koning bevolen wijzigingen. Een te laat in de kolonie vastgestelde begrooting kan niet als definitieve begrooting (art. 104 onder 3°) en ook niet als voorloopige (art. 105, 2de lid) worden beschouwd; en daar het Regeeringsreglement een derde soort begrooting niet kent, mist een dergelijke „begrooting” alle waarde als begrooting en moet worden aangenomen, dat het Regeeringsreglement zelf daar alle kracht aan ontneemt.

De Raad kan wel bijeenkomen, beraadslagen, amendementen aannemen of verwerpen, stemmen en wat dies meer zij, wat de Raad vastgesteld heeft, heeft niet eens de beteekenis van een voorloopige begrooting.

De openbare behandeling zal niet veel meer zijn dan het geven van wenken en adviezen (wat geheel overbodig is, daar wat de afdeelingen op te merken hebben reeds in het Voorloopig Verslag is of alsnog in dit Eindverslag kan worden opgenomen) of, wil men, het vaststellen van een wenschelijkheidsbegrooting, waaraan op het oogenblik geen behoefte bestaat en waarmee de Regeering naar goeddunken kan handelen.

Daarnaast werd gewezen op een paar zinsneden der toelichting voor- komende in Bordewijk (Handelingen over de Reglementen op het beleid der Regeering enz.) pag. 521: „De termijn voor de vaststelling der begrootingen door de Koloniale Staten en door den Kolonialen Raad is gesteld op den tweeden Dinsdag in Mei, opdat de op dien dag plaats hebbende opening van de nieuwe zitting dier colleges geen belemmerenden invloed op de behandeling der begrooting zal hebben. In verband daarmede is de termijn voor de indiening bepaald op uiter- lijk den eersten Dinsdag in Maart, teneinde de voor de behandeling der begrooting bestemde tijdruimte niet te verkorten.” De eerste zinsnede geeft duidelijk te kennen, dat en waarom de begrooting vóór den 2n. Dinsdag in Mei behandeld moet worden, terwijl er bezwaarlijk zou kunnen gesproken worden van verkorten van de voor de behan- deling der begrooting bestemde tijdruimte, indien de Raad de be- grooting vóór of na den 2en. Dinsdag in Mei kan of mag behandelen.

De aandacht werd er ook op gevestigd, dat indien art. 104 eerste lid sub 3 geen termijnsbepaling inhoudt, waarop de strenge sanctie van art. 105, tweede lid, gesteld is, het Regeeringsreglement dan niet voor- schrijft wanneer de Raad met de begrooting klaar moet zijn.”

Ik meen, dat er tegen deze redeneering wel iets is in te brengen. Vooreerst zijn de beschouwingen van den Raad minder duidelijk doordat wat feitelijk twee vragen zijn als één vraag behandeld wordt. Het is eene andere vraag of de Raad na den tweeden Dinsdag in Mei de begrooting nog wo vaststellen, en eene andere of hij dit doen moc, telkens in de gegeven omstandigheden, dat op grond van art. 104 sub 1° de vaststelling door den K. R. slechts eene „voorloopige” kon zijn.

Wat de eerste vraag betreft, of de Raad de begrooting nog moes/ behandelen na den bepaalden datum, — de Raad beroept zich ook „op het feit, dat het Regeerings- reglement toch niet kan dwingen iets te doen, waaraan datzelfde Regeeringsreglement elk rechtsgevolg ontzegt.”

Maar die zaak staat veel eenvoudiger. Men zal in het Regeeringsreglement »#fer£ dwang tot begrootingsarbeid missen. Daarvan o.a. zal een gevolg zijn het voorschrift van art. 104 sub 3° R.r., definitieve vaststelling der be- grooting door de wet voor het geval de Raad haar niet vóór den fatalen termijn heeft vastgesteld.

Echter miskent de Raad m.i. de beteekenis dezer laat- ste bepaling en is het verband tusschen deze en die van art. 105 een ander dan de Raad meent te zien. Art. 104 sub 3° ziet op eene weigering of nalatigheid van den K.R. om de begrooting vast te stellen in een geval, waarin deze vaststelling eenerfe/ïmYiéuezou zijn. Daarom moest, daar dan van eene voorloopige begrooting geen sprake is, de bepaling van art. 105 tweede lid worden opgenomen. Men kan hieruit dus geen argament ontleenen voor de bewering, dat eene na den fatalen termijn vastgestelde begrooting niet het karakter van eene „voorloopige” be- grooting kan hebben, wanneer uit anderen hoofde vast- stelling der definitieve begrooting bij de wet noodig is.

Van principieelen aard is de vraag, of de K.R. de be- grooting nog mocA£ behandelen na den tweeden Dinsdag van Mei. De kroniekschrijver in het i£o/omaaZ JFeeAè/aï stelde haar reeds in het nummer van 30 Juni 1.1. aan de orde, toen hij het uitgebrachte Foorfoo/ug uers/ag „vol- komen ongrondwettig” noemde, daar de „oude” Raad, niet de nieuwe, met den 2den Dinsdag van Mei optre- dende, de begrooting behandelen moet. Hierop slaan m.i. ook de door den Raad aangehaalde woorden der bij Bordewijk op bladz. 521 vermelde Meraon’e va» fotf- fóc/^mg. Hiertegenover kan men niet volstaan met de opmerking, dat de fatale datum van art. 104, 3° alleen geldt voor eene door den Raad ie/ïm’^/ vast te stellen begrooting, zooals ik betoogde, en evenmin is hiertegen afdoend het argument, ook in de afdeelingen van den

K.R. geuit, dat ad art. 102 Rr. op de vraag of niet eenige bepaling moest gemaakt worden voor het geval de Raad de begrooting niet of niet tijdig goedgekeurd had, geant- woord is met eene verwijzing naar art. 2 der Comptabili- teitswet. Maar over deze staatsrechtelijke kwestie, die gelijkelijk voor andere ontwerpen als voor begrootings- ontwerpen geldt, heeft, voor zoover mij bekend is, de Raad zich nimmer bekommerd. Door de opening der nieuwe zitting heeft de K.R. zich, naar ik meen, nog nooit in haren arbeid laten „belemmeren” in bovenbedoelden zin.

Er was ook geen reden om nu een ander standpunt in te nemen.

En ten slotte — stel eens, dat er aangenomen moet worden, dat er ook voor eene „voorloopige” vaststelling, zonder verband met de opening der nieuwe zitting, een fatale datum gesteld is, — hebben wij dan ook niet meer- malen gemeenten in ons land zich zonder bezwaar over zulk een datum zien heenstappen. Ik zie niet in, waarom de Raad niet na 10 Mei de be- grooting had WO^«M verder behandelen.

Daarbij komt, dat er alles voor te zeggen was, om ook inderdaad de begrooting af te handelen. De Raad had niets minder behoeven te doen, dan wat hij ook anders doet: „beraadslagen, amendementen aannemen of ver- werpen, stemmen en wat dies meer zij” en er was geen reden, om te meenen dat daaraan door de Regeering eene andere beteekenis en waarde zou worden toegekend dan wanneer dit alles binnen den bepaalden tijd had plaats gevonden. De gelijkstelling van eene openbare behande- ling met het afdeelingsverslag zal in gewone gevallen de Raad ook wel niet aanvaarden. Waarom dan nu?

Trouwens — wat is dit mdi zelf anders dan eene voortgezette behandeling der begrooting? Vooral wan- neer aan het slot wordt opgemerkt, dat „verschillende leden niet overtuigd — zijn geworden van de onjuistheid van de bedenkingen door hen in de Afdeelingen gemaakt, in het Voorloopig Verslag opgenomen en h.i. door de Memorie van antwoord niet weerlegd” en verder het Bestuur in ernstige overweging gegeven wordt, niet over te gaan tot den bouw van een nieuw tolkantoor in dezen duren tijd?

SILAKAN BERI KOMENTAR

Temui Kami di Facebook

Statistik

  • 1195Dibaca Hari Ini:
  • 1675Dibaca Kemarin:
  • 20593Dibaca Per Bulan:
  • 353068Total Pengunjung:
  • 1125Pengunjung Hari ini:
  • 19505Kunjungan Per Bulan:
  • 10Pengunjung Online: